Spreekwoorden met bloemen

Spreekwoorden met bloemen

  • Slapen als een roos – Vast en vredig slapen
  • De bloemetjes buiten zetten – Veel plezier gaan maken
  • De waarheid verbloemen – De waarheid mooier doen voorkomen
  • Geen rozen zonder doornen – Prettige dingen hebben ook hun onaangename kanten
  • Zijn weg gaat niet over rozen – Hij heeft nogal wat moeilijkheden
  • Iemand iets onder de roos vertellen – Iemand in het geheim iets meedelen
  • Aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen – De beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico’s
  • Geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt – Gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen
  • Zoeken naar een bloem in een vijgenplant – Zoeken naar het onvindbare

Spreekwoorden met kleuren

  • Een blauwe maandag – een korte tijd
  • Van de blauwe knoop zijn – Geen alcohol meer drinken, afkomstig van een burger groepering tegen alcohol in de tweede helft van de 19e eeuw.
  • Zich blauw betalen – je scheel betalen, veel betalen.
  • Zwart werken – geld verdienen zonder dit aan de belastingdienst door te geven.
  • Zwartrijden – met het openbaar vervoer reizen zonder een vervoersbewijs te kopen
  • Hij liegt dat hij zwart ziet – intens liegen
  • Hij is blauw – Hij is dronken
  • Eem blauwtje lopen – afgewezen worden
  • Iets zwart op wit willen zien – iets op papier vastleggen, contractueel vastleggen; afkomstig van de zwarte letters op wit papier.
  • Geel van nijd worden – heel erg kwaad worden
  • Rood met groen is boerenfatsoen – een slechte smaak hebben
  • Witte rook zien – De uitspraak ik bekend, afgeleid van de witte rook die door de schoorsteen komt als een nieuwe paus is gekozen.
  • De prins op het witte paard – De man van je dromen, de perfecte man.
  • Een wit voetje halen – In een gunstig daglicht bij iemand staan
  • Een wittebroodskind – een verwend kind.
  • Hij is rood op de graat – hij is een socialist
  • Hij heeft teveel wit in de ogen – Hij heeft een slecht karakter
  • Groen achter de oren hebben – nog erg jong en onervaren zijn
  • Het gras aan de overkant is altijd groener – Bij iemand anders is het altijd beter
  • Groene vingers hebben – Veel van tuinieren weten
  • Zijn koren groen eten: geld uitgeven voor je het verdiend hebt
  • Iemand groen op het lijf vallen – met iemand ruzie zoeken
  • Een bruin leven hebben – een goed leven hebben
  • Een bruine arm halen: met vleierij in de gunst komen
  • Dat kan bruin niet trekken – Dat kan ik niet betalen
  • Iets bruin bakken – De waarheid verdraaien
  • De toekomst ziet er (niet) rooskleurig uit – de toekomst ziet er (niet) goed uit
  • Groen zien: Jaloers zijn
  • Zeven kleuren stront schijten – erg bang zijn
  • Zich groen en geel ergeren – zich heel erg ergeren
  • Nog zwarter dan de duivel zijn – Een heel slecht persoon zijn.
  • Iemand de zwartepiet toespelen – Iemand de schuld in de schoenen schuiven.